Een knop “Volgende les” is technisch gezien ook interactief. Je cursist klikt, er gebeurt iets. Toch leert niemand er iets van. Een online cursus is interactief als je cursist zelf iets moet doen met de stof: iets terughalen uit zijn geheugen, iets toepassen, iets in eigen woorden uitleggen of erover in gesprek gaan met een ander. Een online cursus interactief maken vraagt geen dure software, wel een paar slimme werkvormen. In dit artikel vind je er negen, grofweg geordend van licht naar zwaar, met bij elke werkvorm hoe je hem bouwt in een cursus die mensen in hun eigen tempo volgen.
De meeste tips die je online vindt, gaan over live lesgeven: breakout-rooms, een digitaal whiteboard, een poll tijdens het college. Prima als je elke week voor een groep staat. Maar de meeste cursusmakers verkopen een cursus die om drie uur ’s nachts net zo goed werkt als om drie uur ’s middags, zonder dat jij erbij bent. Daar gaat dit stuk over.
Wat maakt een online cursus interactief?
Een online cursus is interactief als de cursist bij elke les zelf iets moet terughalen, toepassen of uitleggen, en niet alleen kijkt of klikt. Het aantal knoppen, animaties of pop-ups zegt daar weinig over.
De handigste bril hiervoor komt van de onderwijspsycholoog Michelene Chi. Zij en Ruth Wylie beschreven in 2014 het ICAP-model in het vakblad Educational Psychologist. ICAP staat voor vier manieren waarop iemand met lesstof bezig kan zijn, van weinig naar veel:
- Passief: je kijkt of leest en doet verder niets.
- Actief: je doet iets met het materiaal zonder er iets nieuws mee te maken, zoals onderstrepen, een video pauzeren en terugspoelen, of letterlijk overschrijven wat er staat.
- Constructief: je maakt zelf iets wat niet in de stof stond, zoals een uitleg in eigen woorden, een vergelijking met wat je al wist of een eigen voorbeeld.
- Interactief: je bouwt samen met een ander verder, door vragen te stellen en te beantwoorden of een standpunt te verdedigen.
De voorspelling van het model is dat mensen meer leren naarmate ze hoger op die ladder zitten. Het grappige detail zit in hun eigen voorbeeldentabel: een video pauzeren en terugspoelen telt daar als actief, niet als constructief. Een cursist die je video’s braaf pauzeert en terugspoelt, zit dus pas op trede twee van de vier. Het doel van “interactief maken” is je cursist zo vaak mogelijk naar trede drie te krijgen, en waar het kan naar trede vier.

Dat sluit aan bij wat je misschien al las over het constructivisme: kennis krijg je niet aangereikt, die bouw je zelf. Het ICAP-model maakt dat praktisch, omdat je bij elke werkvorm kunt vragen: wat maakt mijn cursist hier eigenlijk?
Het voorbeeld dat we door het hele artikel gebruiken
Werkvormen klinken abstract tot je ze in een echte les ziet. Stel: je maakt een cursus voor startende freelance fotografen, en les 4 heet “Je eerste klant”. Je wilt dat cursisten na die les een kennismakingsgesprek kunnen voeren, een offerte kunnen opstellen en weten welke vragen ze vooraf stellen. Bij elke werkvorm hieronder laten we zien hoe die in deze ene les terechtkomt. Aan het eind staat de hele les als bouwtekening.
De 9 werkvormen, grofweg van licht naar zwaar
1. Een korte check vóór de les
Begin een les met één of twee vragen over wat de cursist al weet, nog vóór je iets uitlegt. Dat is de lichtste werkvorm en de snelst gebouwde.
Voor “Je eerste klant” kan dat zijn: “Wat zou je een nieuwe klant als eerste vragen?” De cursist schrijft drie vragen op en ziet daarna jouw lijst. Hij heeft dan zelf al iets gemaakt (trede drie), en hij kijkt de video met een vraag in zijn hoofd: staan mijn vragen erbij? Wie dat ooit bij zichzelf heeft gemerkt, weet hoeveel scherper je dan kijkt. Het hoeft ook niet goed te zijn. Een check vooraf is geen toets, het is een haakje waar de nieuwe stof aan kan blijven hangen. Dat idee komt uit het cognitivisme: nieuwe kennis beklijft beter als je haar aan bestaande kennis vastknoopt.
2. Een terughaalvraag na elk videoblok
Knip je video’s in korte blokken en zet na elk blok één vraag die de cursist uit zijn geheugen moet beantwoorden. Van alle werkvormen in dit lijstje heeft deze de stevigste onderbouwing.
Eerst de lengte. Philip Guo, Juho Kim en Rob Rubin analyseerden 6,9 miljoen kijksessies van video’s uit vier cursussen op het MOOC-platform edX. Hun belangrijkste bevinding: de mediane kijktijd was hooguit zes minuten, hoe lang de video ook was, en bij video’s langer dan negen minuten kwamen kijkers vaak nog niet eens halverwege. Hun advies was dan ook om lessen op te knippen in stukken van minder dan zes minuten. Dat was gemeten bij MOOC-studenten, niet bij jouw cursisten, maar het patroon is herkenbaar voor iedereen die weleens naar zijn eigen kijkcijfers heeft gekeken. Hoe lang je hele cursus mag zijn, lees je in hoe lang een online cursus moet zijn, en over het filmen zelf in ons stuk over cursusfilmpjes maken.
Dan de vraag. Psychologen Henry Roediger en Jeffrey Karpicke lieten in 2006 studenten een tekst bestuderen en daarna óf nog een keer lezen, óf zonder hulp opschrijven wat ze nog wisten. In hun eerste experiment, met 120 studenten van Washington University, wisten studenten na een week nog 56 procent van een tekst die ze hadden overhoord, tegenover 42 procent van een tekst die ze opnieuw hadden gelezen. In een tweede experiment, met 180 andere studenten, was het verschil na een week nog groter: 61 procent bij wie drie keer had teruggehaald, 40 procent bij wie vier keer had gelezen. En de herlezers? Die dachten zelf juist dat zij het beter zouden onthouden.

Wat betekent dat voor je les? Na het blok “Hoe verloopt een kennismakingsgesprek” vraag je: “Noem de drie dingen die je in elk kennismakingsgesprek wilt weten.” Een open vraag, geen meerkeuze met het antwoord al in beeld. Herkennen is makkelijker dan terughalen, en juist dat moeilijke stukje doet het werk.
3. Eerst een uitgewerkt voorbeeld, dan zelf doen
Laat een beginner eerst een volledig uitgewerkt voorbeeld zien, stap voor stap, en geef pas daarna een vergelijkbare opdracht. Gooi iemand niet meteen in het diepe met “maak nu zelf een offerte”.
John Sweller en Graham Cooper lieten in 1985 bij algebra zien dat beginners die uitgewerkte voorbeelden bestudeerden, vergelijkbare opgaven daarna sneller en met minder fouten oplosten dan beginners die meteen zelf moesten puzzelen. Dat heet inmiddels het uitgewerkt-voorbeeldeffect. Later onderzoek liet zien dat het vooral werkt bij mensen die nog weinig van het onderwerp weten, en dat zijn vaak precies de mensen die jouw cursus kopen.
In “Je eerste klant” toon je één echte offerte voor een bruiloftsshoot, en je loopt hem regel voor regel door: waarom de reiskosten apart staan, waarom er een geldigheidsdatum op staat, waarom de prijs per uur nergens te zien is. Daarna krijgt de cursist een andere klantvraag (een bedrijfsfeest in plaats van een bruiloft) en maakt hij zelf de offerte.
4. De fout-vinden-opdracht
Geef je cursist een voorbeeld met opzettelijke fouten erin en laat hem die zoeken. Mensen vinden dit leuk, en het dwingt ze om de regels die je net uitlegde echt toe te passen.
Voor onze les maak je een offerte met vier fouten: geen datum, geen omschrijving van wat de klant krijgt, de btw vergeten en een totaalbedrag dat niet klopt. De cursist schrijft op wat hij vindt en waarom het een probleem is. Daarna laat je de uitwerking zien. Het werkt het best als de fouten de fouten zijn die beginners in het echt maken. Die ken jij beter dan wie ook, want je hebt ze zelf gemaakt of bij anderen gezien.
5. Een praktijkcasus met een keuze
Leg een realistische situatie voor waarin de cursist moet kiezen wat hij doet, en laat hem zijn keuze onderbouwen. Een casus zit dichter bij het echte werk dan een losse kennisvraag.
“Een klant mailt: ‘Wat kost een shoot bij jou?’ Meer staat er niet in. Wat stuur je terug?” Er is geen enkel goed antwoord, en dat is het punt. Laat de cursist zijn mail schrijven en geef daarna twee of drie voorbeeldreacties met wat er goed en minder goed aan is. Wil je meer houvast bij het bedenken van opdrachten zoals deze, lees dan ons stuk over betere praktische oefeningen maken, dat helemaal over dit soort oefeningen gaat.
6. Een opdracht die de cursist inlevert
Laat de cursist aan het eind van een les iets maken voor zijn eigen praktijk en het inleveren, zodat iemand ernaar kijkt. Inleveren helpt: wat iemand anders gaat zien, maak je met meer zorg.
In onze les is dat: “Maak een offerte voor je eerstvolgende echte (of verzonnen) klant en lever hem in.” Jij of een collega geeft kort feedback. Dat kost je tijd, dus houd de opdracht klein en de feedback concreet. Twee zinnen die precies zeggen wat er beter kan, zijn meer waard dan een alinea complimenten. Vind je het lastig om goede vragen te stellen bij die feedback, kijk dan eens naar onze 22 vragen voor bruikbare feedback. Die zijn bedoeld voor feedback óp je cursus, maar veel ervan werken net zo goed andersom.
7. Een reflectievraag in eigen woorden
Sluit een les af met een vraag die de cursist dwingt de stof in eigen woorden toe te passen op zijn eigen situatie. Uitleggen in eigen woorden staat in het ICAP-model uitdrukkelijk bij constructief, trede drie.
“Welke van de drie gespreksvragen ga jij anders stellen dan je tot nu toe deed, en waarom?” Er is geen fout antwoord, dus je hoeft niets na te kijken. Het werkt toch, want de cursist moet de stof koppelen aan zijn eigen werk. Zet de vraag onder de les, zodat het antwoord meteen een plek heeft. Klein trucje: vraag om één zin, geen essay. Eén zin schrijft iedereen.
8. Peer-feedback in de community
Laat cursisten elkaars werk bekijken en er een vraag of tip bij zetten. Hier kom je op de bovenste trede van het ICAP-model: twee mensen die samen verder denken. Alleen de livesessie hieronder komt daar ook.
In onze les plaatst elke cursist zijn klantmail uit werkvorm 5 in het forum en reageert hij op die van twee anderen, met één vraag en één tip. Je geeft een vast formaat mee, anders krijg je alleen “Ziet er goed uit!”. Peer-feedback heeft wel een minimum aantal deelnemers nodig: met drie actieve cursisten blijft het stil. Start je klein, bundel dan de inleverdata, zodat cursisten tegelijk bezig zijn. Hoe je zo’n groep levend houdt, staat in ons stuk over een online community actief houden.
9. Een livesessie als vragenuur
Gebruik live momenten niet om opnieuw uit te leggen wat al in de video’s staat, maar als vragenuur over het werk dat cursisten zelf al deden. Dan wordt de livesessie de plek waar trede vier gebeurt, in plaats van een college met de camera aan.
Voor “Je eerste klant” kan dat een maandelijks uur zijn waarin je drie ingeleverde offertes live bespreekt (met toestemming van de cursist) en vragen beantwoordt. Laat cursisten eerst zelf op elkaars offerte reageren voordat jij iets zegt. Wie het werk vooraf deed, heeft dan echte vragen. Hoe je zo’n sessie zelf en gratis organiseert, lees je in ons artikel over zelf een webinar organiseren.
Hoe ziet één interactieve les er dan uit?
Een interactieve les wisselt elke paar minuten tussen uitleg en iets wat de cursist zelf doet. Met alle negen werkvormen samen ziet “Je eerste klant” er zo uit:

Je hoeft niet in elke les alle negen te gebruiken. Een les met een check vooraf, twee terughaalvragen en één opdracht is al een wereld van verschil met drie video’s achter elkaar. De zwaardere werkvormen, zoals peer-feedback en de livesessie, plan je per module in plaats van per les. Meer over het bouwen van je eerste cursus vind je in de categorie Starten met maken. Hoe je modules en lessen opbouwt rond je leerdoelen, lees je in hoe je je cursus een goede structuur geeft.
Kan een cursus zonder live lessen interactief zijn?
Ja. Zeven van de negen werkvormen hierboven doet de cursist zonder andere cursisten, wanneer het hem uitkomt; alleen bij de opdracht die hij inlevert kijk jij later even mee. Peer-feedback en de livesessie vragen om andere cursisten, en de livesessie ook om een vast moment.
Het misverstand is dat “interactief” betekent dat er iemand terugpraat. In het ICAP-model is de constructieve trede, waarop je zelf iets nieuws maakt, gewoon iets wat je alleen doet. Een cursist die om middernacht in zijn eigen woorden opschrijft wat hij anders gaat doen, zit hoger op de ladder dan een cursist die in een live webinar zit te kijken met de camera uit.

Wat zelfstudie wel mist, is een stok achter de deur. Daarom helpt het om te zien wie waar blijft hangen en die mensen een duwtje te geven. Daarover schreven we een apart stuk: cursisten tot de eindstreep brengen.
Hoeveel quizvragen zet je in een les?
Onze vuistregel: één tot drie vragen na elk videoblok van een paar minuten, en liever open dan meerkeuze. Dat is een vuistregel uit de praktijk, geen onderzoeksgetal. Het onderzoek zegt vooral dat terughalen werkt, niet hoeveel vragen ideaal is.
Drie dingen maken een quizvraag beter. Laat de cursist het antwoord echt terughalen in plaats van herkennen: “Wat vraag je als eerste?” is sterker dan vier opties waar het antwoord tussen staat. Laat na elk antwoord zien waarom het goed of fout is, want een rood kruis zonder uitleg leert niemand iets. En vraag naar toepassing in plaats van naar weetjes: niet “Hoeveel vragen stel je?” maar “Welke vraag stel je aan deze klant?”.

Gebruik je quizzen als eindtoets, bijvoorbeeld voor een certificaat, dan is dat een andere functie dan een oefenvraag na een video. Houd die twee uit elkaar: oefenvragen mogen fout gaan zonder gevolgen, de eindtoets telt. Wil je een certificaat uitgeven, lees dan ook even of je zomaar certificaten mag geven.
Hoe bouw je dit in Maatos?
In Maatos bouw je de meeste van deze werkvormen met wat standaard in de cursus-builder zit: toetsen, losse vragen in een les, vragen onder de lessen en een forum. Je hebt er geen aparte tools voor nodig.
Op onze kenmerkenpagina zie je wat erin zit: video, audio, pdf’s en bijlagen in je lessen, toetsen en vragen, certificaten, een forum en een cursistenoverzicht. Voor een snelle kennischeck midden in je les zet je een vraag uit een toets direct in de les, tussen twee videoblokken, bijvoorbeeld meerkeuze of waar of onwaar; het antwoord van zo’n losse vraag wordt niet bewaard. Wil je dat de cursist het antwoord echt zelf opschrijft, zet de open vraag dan als tekst in je les en laat jouw antwoord pas na het volgende blok zien, of gebruik een toets die je met de hand nakijkt: toetsen kunnen automatisch worden nagekeken (meerkeuze, waar of onwaar, volgorde) of door jou, en dat laatste maakt open vragen mogelijk. In de cursus-builder maak je ook opdrachten, en daar hoort de offerte die de cursist inlevert. Met een drempeltoets moet de cursist een bepaalde score halen, en laat je bij voldoende en onvoldoende een ander bericht zien, bijvoorbeeld een verwijzing terug naar de stof. Cursisten stellen vragen onder de lessen en jij reageert daar, wat de reflectievraag een vanzelfsprekende plek geeft. Het forum is er voor de peer-feedback, en in het cursistenoverzicht zie je de voortgang en knelpunten van je cursisten, zodat je weet wie een duwtje kan gebruiken.

Veelgestelde vragen over interactieve online cursussen
Wat maakt een online cursus interactief?
Een online cursus is interactief als de cursist in elke les zelf iets moet doen met de stof: terughalen, toepassen, in eigen woorden uitleggen of bespreken met een ander. Knoppen, animaties en pop-ups maken een cursus niet vanzelf interactief.
Kan een cursus zonder live lessen interactief zijn?
Ja. Een check vooraf, terughaalvragen, uitgewerkte voorbeelden, fout-vinden-opdrachten, casussen, opdrachten en reflectievragen werken allemaal in zelfstudie; alleen bij een ingeleverde opdracht kijk jij later even mee. Peer-feedback en een vragenuur vragen om andere cursisten.
Welke werkvormen werken online het best?
De terughaalvraag na een kort videoblok heeft de sterkste onderbouwing: in een experiment van Roediger en Karpicke met 120 studenten van Washington University wisten studenten na een week nog 56 procent van een tekst die ze hadden overhoord, tegenover 42 procent van een tekst die ze opnieuw hadden gelezen. Voor beginners werkt een uitgewerkt voorbeeld vóór een opdracht ook goed.
Hoeveel quizvragen zet je in een les?
Wij houden één tot drie vragen aan na elk videoblok van een paar minuten. Het is een praktijkregel, geen onderzoeksgetal. Open vragen waarbij de cursist het antwoord zelf moet terughalen, werken beter dan meerkeuzevragen.
Hoe lang moet een video in een interactieve cursus zijn?
Kort. In een studie van 6,9 miljoen kijksessies op edX was de mediane kijktijd hooguit zes minuten, ongeacht de lengte van de video. Knip langere uitleg dus op in blokken van minder dan zes minuten met steeds een vraag ertussen.
Welke tools heb je nodig voor interactieve video?
Voor de meeste werkvormen geen extra tool: een vraag direct onder of na de video doet hetzelfde werk. Wil je vragen ín de video, op een bepaald moment, dan bestaan daar aparte tools voor, zoals het opensourceproject H5P met zijn Interactive Video.
Moet elke les interactief zijn?
Elke les moet de cursist minstens één keer iets laten doen. Een check vooraf en één terughaalvraag zijn genoeg. De zwaardere werkvormen, zoals peer-feedback, plan je per module.
Bouw je eerste interactieve les
Begin klein: pak één bestaande les, knip de video in blokken van een paar minuten en zet na elk blok één open vraag. Dat is een middag werk, en je cursisten merken het verschil meteen. Wil je zien hoe dat er bij jou uitziet, probeer Maatos 30 dagen gratis en bouw je eerste quiz in je eigen cursusomgeving.



